Nieuws

Waarom je als basketbaltrainer de groeispurt van je spelers moet kennen

groeispurtmeting team sport

In basketbal is lengte bijna een vaardigheid op zich. Daardoor valt de groeispurt in geen sport zo op. Twee spelers van veertien kunnen een kop in lengte verschillen, terwijl de kleinste over drie jaar misschien de langste is. Wie als trainer weet in welke groeifase een speler zit, selecteert eerlijker, traint slimmer en voorkomt veel blessures.

Wat is de groeispurt?

In de puberteit groeien kinderen een paar jaar lang veel sneller dan daarvoor. Het moment waarop een kind het snelst groeit, heet de piek van de groeispurt (Peak Height Velocity, PHV). Meisjes bereiken die piek gemiddeld rond hun twaalfde, jongens rond hun veertiende. Bij het ene kind ligt de piek een of twee jaar eerder, bij het andere een of twee jaar later.

Het Athletic Skills Model deelt de ontwikkeling rond de groeispurt in drie periodes in:

  • P1 · Voorbereiding. Het kind groeit gelijkmatig. Een goede periode om veel verschillende vaardigheden te leren.
  • P2 · Versnelde groei. De groeispurt. Botten groeien sneller dan spieren en pezen. Het lichaam is gevoeliger voor overbelasting en bewegingen kunnen tijdelijk minder soepel gaan.
  • P3 · Stabilisatie. De groei neemt af. Kracht en belastbaarheid kunnen weer stap voor stap worden opgebouwd.

1. Je selecteert op groei in plaats van talent

In jeugdbasketbal worden spelers ingedeeld op geboortejaar. Binnen zo’n groep zit de ene speler al midden in de groeispurt en de andere er nog ver voor. De vroege groeier is langer, sterker en sneller, scoort makkelijker onder de ring en pakt meer rebounds. Dat lijkt talent, maar is vaak vooral een voorsprong in groei.

Het risico is dubbel. De laat rijpe speler, die misschien over een paar jaar net zo lang wordt, valt af bij selecties en haakt af. De vroeg rijpe speler leert te vertrouwen op lengte en kracht, en loopt vast zodra de rest hem heeft ingehaald. Wie de groeifase kent, kan prestaties beter plaatsen: is dit een speler met een groeivoorsprong, of een speler die echt verder is?

2. Je ziet blessures aan knie en hiel aankomen

Basketbal is een sport van springen, landen, afremmen en draaien. Tijdens de groeispurt zijn juist de plekken waar pezen aan het groeiende bot vastzitten kwetsbaar. Bekende groeigerelateerde klachten in basketbal zijn:

  • Osgood-Schlatter: pijn en zwelling net onder de knie, op het scheenbeen;
  • Sinding-Larsen-Johansson: pijn aan de onderkant van de knieschijf;
  • Sever: pijn aan de achterkant van de hiel.

Deze klachten ontstaan vaak door veel herhaalde sprong- en landingsbelasting in een periode van snelle groei: drie trainingen per week, een wedstrijd, en in het weekend nog een toernooi. Weet je dat een speler in de versnelde groei zit, dan kun je de belasting tijdig aanpassen, in plaats van pas te reageren als de speler met pijn langs de lijn zit.

3. Je begrijpt waarom het schot ineens niet meer valt

Een speler die in een paar maanden flink groeit, moet zijn nieuwe armen en benen opnieuw leren aansturen. Schotmechaniek, dribbel en voetenwerk kunnen tijdelijk minder goed gaan. Dat is geen gebrek aan inzet of talent, maar een normaal gevolg van de groei. Wie dat weet, blijft geduldig, past de verwachtingen aan en gebruikt deze periode om techniek opnieuw in te slijpen.

4. Je laat lange spelers niet te vroeg alleen onder de ring staan

De langste speler van het team staat vaak automatisch op de vijf. Maar of die voorsprong blijft, hangt af van de groeifase. Een vroege groeier is over een paar jaar misschien gemiddeld van lengte, en heeft dan nooit leren dribbelen, passen of van afstand schieten. Een speler die nog niet aan de groeispurt is begonnen, kan juist later een lange speler worden die alles kan. Laat jeugdspelers daarom op meerdere posities spelen en alle basisvaardigheden leren.

Wat doe je anders per groeifase?

  • P1: veel variatie, balvaardigheid met links en rechts, voetenwerk, coördinatie en spelinzicht. Dit is de periode om een brede basis te leggen.
  • P2: minder sprong- en landingsvolume, extra aandacht voor goede landingstechniek, kracht met het eigen lichaamsgewicht en voldoende herstel tussen trainingen en wedstrijden. Blijf techniek trainen, ook als het tijdelijk minder gaat.
  • P3: kracht en explosiviteit stap voor stap opbouwen, en het uitgestelde sprongwerk weer uitbreiden.

Klaagt een speler over pijn aan knie of hiel, neem dat dan altijd serieus. Pas de belasting aan en schakel een (sport)fysiotherapeut of sportarts in als de pijn aanhoudt.

Hoe bereken je de groeifase?

De piek van de groeispurt is pas zeker als hij voorbij is, maar je kunt hem goed schatten met de methode van Mirwald. Daarvoor heb je per speler nodig:

  • lengte;
  • zithoogte (zittend gemeten van zitvlak tot kruin);
  • gewicht;
  • geboortedatum en geslacht.

Uit de verhouding tussen beenlengte en romplengte, samen met gewicht en leeftijd, volgt hoe ver een speler van de piek af zit. Het blijft een schatting, met een marge van ongeveer een half jaar tot een jaar. Meet daarom elke drie tot vier maanden, op dezelfde manier en rond hetzelfde tijdstip. Zo zie je de groei versnellen en weet je steeds beter waar een speler staat.

Zelf proberen

Op Groeispurtmonitor.nl bereken je gratis de groeifase van een speler, zonder account en zonder dat er iets wordt opgeslagen. Wil je je hele team volgen? Dan voer je per speler de metingen in en zie je per team wie in welke fase zit, wanneer de groeispurt eraan komt en wat je in de training wel en beter niet kunt doen.

De berekening is een schatting en vervangt geen medisch advies. Heeft een speler aanhoudende pijn, raadpleeg dan een (sport)arts of fysiotherapeut.