De een nipt ingehouden vrolijk aan zijn glas slurpend terwijl de tweede er als een sacherijnige aardworm naast zit. De stropdassen los van de nek geschoven, het kostuum met sponsoropdruk hangend om het nog na zwetend lijf zitten de twee coaches na afloop van elke eredivisiewedstrijd, met een kogelflesje fris voor zich, naast elkaar, achter de op een klein podium geplaatste lange tafel. Klaar voor de nakende persconferentie. Lokale tv, Eredivisie live en NOS mogen hier het obligate quote’je filmen. Bert Maalderink en Sjoerd de Vos smullend in de aanslag.

Op het achterhangend kamerscherm komen ook de logo’s van de lokale subsponsors in geometrische volgorde van belangrijkheid aan bod. De perschef staat met een rolletje papier als dirigentstaf ter zijde van de tafel en leidt het duo in. De enigen die het hier schijnbaar onverbloemd het minst naar de zin hebben zijn beide hoofdpersonen. Ze beantwoorden dan de meest clichématige vragen doorgaans met nog meer clichématige antwoorden. Coaches vinden zichzelf soms heel erg belangrijk! Daar gaat het mis.

Daarom lijkt soms of coaches maar moeilijk met, anderzijds toch evenmin zonder elkaar kunnen. Een vreemde paradox. Ze geven elkaar bij het opstaan als het eraf kan nog net dat karakteristieke zuinige slappe handje. Guus Hiddink is een protagonist van meer professionele collegiale interactie en samenwerking. Niettemin voorbeelden van het omgekeerde zijn legio. Daar smullen de prietpraatprogramma’s weer van. Is de interactie tussen coaches van harte of niet, coaches zijn hoe dan professioneel ook immer op zoek naar meer en beter toepasbare kennis en kunde. Een breder onderling respect wil hier zijn vruchten afwerpen. Niet alleen in eigen kring kan er winst worden geboekt, ook daarbuiten liggen kansen. Stilstaan in kennis is achteruit hollen.

Er bestaat – hoe gek dit ook lijkt – in de strijd tussen coaches die actief zijn in verschillende geledingen – bijvoorbeeld tussen coaches van verschillende clubs binnen een competitie, maar ook tussen coaches binnen één vereniging werkzaam in verschillende leeftijdscategorieën – toch altijd behoefte om meer gemeenschappelijke gebieden van aandacht te bespreken. Wordt de kwetsbare kant met die wens te veel geventileerd? Het lijkt bij sommige topcoaches hier toch wel op. Te vaak wordt mijns inziens die vraag naar de achtergrond gedrongen.

Hoe weet een coach of hij met de juiste dingen bezig is? Dat weet hij nooit, alleen zijn team biedt elke technisch leidsman een referentiekader, kortom houdt hem een spiegel voor. Daarom is er diezelfde algemene vraag die elke zelfkritische coach zichzelf onvermijdelijk stelt. Waar in het brede spectrum van aandacht is het wenselijk zich bij de training meer specifiek op te concentreren? Of anders gesteld: concentreert die coach zich (op gegeven momenten) wel in de juiste mate op de (voor hem) juiste zaken?

Deze vraag geldt voor elke coach, is immer terugkerend maar kan ook breed worden gesteld. Wedstrijden zelf leveren na afloop, evaluatie en analyse – zeggen we – doorgaans voldoende aanknopingspunten om het eigen beleid kritisch te beschouwen. Moet er wel of niet van het vooraf gestelde ontwikkelplan worden afgeweken? Hoe dwingend zijn de korte termijn wensen en behoeften?

Misschien minder logisch lijkt het daarbij voor de antwoorden andere lotgenoten te raadplegen. Er bestaat zo kan niettemin geconcludeerd worden vooral bij openminded coaches een niet geringe behoefte aan meer gedeelde inzichten in technische aspecten, skills, concepten, coachideeën, en visies. Ondanks de grote verschillen die er tussen coaches mogen zijn, zoals ze al bestaan in coachtaal en concepten (om nog maar te zwijgen van de nog grotere verschillen in beleid en visies), ligt er aan die basis van al die discrepanties een gedeelde systematiek. Namelijk die van het basketballspel zelf.

Neutraal gesteld is hier alles gemeen, maar kan het mogelijk in weinig of niets gemeenschappelijks uitmonden. Dat laatste is alleen maar jammer. Toch bestaat er altijd weer de ruimte dat opvattingen over technisch/ tactische aspecten, skills, concepten, coachideeën in een breder geheel van kennis aan elkaar worden getoetst. Of dit tot gedeelde kennis leidt is vers twee. Bij voldoende bereidheid – uitgesloten worden hier uiteraard de al te grote einzelgänger en solisten – is hier alle ruimte. De opbouw van langs de laatste weg opgebouwde en gedeelde inzichten constitueert een zogenaamd ”curriculum.”

Ik doel hier niet op modieus gehanteerde slogans als Helderse of zelfs Hollandse school (zoals ik ze ooit heb horen noemen) die uit niets meer ontstaan zijn dan uit een slecht gekozen eclectisch sentiment. De hamvraag luidt hier in hoeverre het mogelijk is een dergelijk breder perspectief op coaching gestalte te geven.

Inherent aan het begrip leerplan of curriculum is de dynamische wijze waarop een gedeeld curriculum meer praktisch vorm wordt gegeven. Onvermijdelijk hierbij is het weglaten van minder belangrijke aandachtsgebieden. Hierbij onderscheiden we een tweetal zaken. Het betreft de meer methodische inzichten rondom begrippen als leerlijn en ontwikkellijn. Bij een leerlijn is sprake van een beredeneerde opbouw van tussendoelen en inhouden, leidend naar een einddoel. Bij ontwikkellijn verloopt het leerproces meer sprongsgewijs, minder voorspelbaar en is meer persoonsgebonden.

Feitelijke basketball programma’s hebben een brede focus op heel veel zaken, dat maakt het er soms niet makkelijker op. Overzicht hebben en houden is van groot belang. De kunst van het lesgeven en coachen is dat binnen de verschillende “deelgebieden” relevante “inhoud” naar voren gebracht kan worden. Zo een zich uitkristalliserend programma kan variëren per niveau maar het biedt veel meer extra mogelijkheden wanneer het ook nog eens bruik- en werkbaar is op meerdere niveaus binnen welke organisatiestructuur dan ook (vereniging, school, RTC) of leerlijn. Zo kan een programmasegment als voorbeeld dienen voor andere. Topprogramma’s vervullen die functie in brede zin.

Planvorming en curricula zijn er in de eerste plaats voor de betrokkenen in de eigen context (binnen verenigingsverband bijvoorbeeld bestuur, technisch kader, spelers) en met het doel om basketball te kunnen onderwijzen en beoefenen in competitieverband. Dat betekent dat in deze context wedstrijdresultaat en planvorming aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Daarnaast is een curriculum dus ook onmisbaar in de zin van afstemming. Curricula geven richtlijnen en overzicht het spel en de fundamentals in voldoende mate aandacht te schenken. In een wijdere educatieve context (basketballscholen, talentcentra, RTC’s,) geeft een meer proces gestuurd curriculum richting aan het programma en dient ieder zich uiteraard binnen de eigen mogelijkheden, beperkingen en context verder te verdiepen in de verdere programmering.

Wat hier wordt geopperd dient als een gids voor een minimum standaard van onderwijs en coaching binnen de verdere ontwikkeling van samenwerking en programmering. Aan de bovenkant bieden topsportontwikkelprogramma’s een richtsnoer en het hoogst haalbaar internationaal perspectief wordt doorgaans in ons land binnen Olympische cycli vastgesteld. Aan de onderkant bieden onderwijsinstellingen en scholen allengs meer en meer kansen in de ontwikkeling van het basketballonderwijs.

De richtlijnen voor elk in een samenwerkingsverband functionerend geheel zijn voor het onderwijs even belangrijk als voor coaches binnen een club of technisch platform. Komende generaties kunnen van de ervaringskennis en kunde van eerdere generaties in de toekomst de vruchten plukken. Er worden hier op grond van evaluaties en aanbevelingen wellicht meerdere sleutelgebieden ontgrendeld. Ook de topspelers hebben zwakke plekken en – wanneer gedeelde kennis hieromtrent en strategieën om hier aan te werken – kunnen worden aangesproken verbetert dit alleszins de kwaliteit van onze competities. Hierdoor krijgen ook onze nationale teamprogramma’s een impuls. Best practices kunnen als model fungeren voor anderen.

De evaluaties van de verschillende Nationale Team programma’s in 2011 hebben geleid tot een aantal conclusies. Het lijdt geen twijfel dat het van belang is om uit de verschillende evaluaties de rode draad te vinden die ons verder helpt.

Welke zijn die belangrijkste aandachtspunten en aanbevelingen?

Onderstaand volgen de aanbevelingen als richtsnoer voor al onze coaches in Nederland? Er zijn acht (9) deelgebieden die meer nadruk behoeven.

Wat beter kan (moet) betreft generiek:

1.       Physical Fitness (Strength & Conditioning/ Fysieke preparatie bij jongere spelers). Attributen van balans, voetenwerk en dynamiek in het spel.

2.       Een-tegen-een verdediging op de bal, inclusief lateraal voetenwerk.

3.       Schot met name van buiten de driepuntslijn. Meer spacing.

4.       Competente ballscreen spelers

5.       Passen en vangen, technische en tactisch doorontwikkeling van advanced skill niveaus

6.       Decision making

7.       Gebruik van de dribbel.

8.       Team aanval, individueel en team, inclusief spacing.

9.       Een-tegen-een verdediging weg van de bal, posities, visie en techniek

Bovendien verdient in meer specifieke zin meer de aanbeveling tot meer:

10.   Aandacht voor point guard spel

11.   Aandacht voor center spel

Auteur:

Bewerkt door:

Dutch Basketball Coaches Association
Wattbaan 31-49, 3439 ML NIEUWEGEIN
The Netherlands
www.dutchbasketballcoachesassociation.nl
KVK 66336503